s

Schoolvisie Regenboogschool

Werken aan een schooleigen Christelijke Identiteit

Onze maatschappij is ongetwijfeld een samenleving die in een snel tempo door veranderingen getekend wordt. Deze hebben een invloed op het katholiek basisonderwijs. Met het team dachten we na over deze evolutie.

De positieve kanten zijn de toename van communicatiemogelijkheden door computer, internet, gsm waardoor de wereld onze thuis wordt (maar dit houdt ook gevaren in);vooruitgang technologie en geneeskunde;onderwijskansen voor iedereen; uitgebreide mogelijkheden van vrijetijdsbesteding; erkenning van rechten van minderheidsgroepen; toename van de mondigheid en zelfstandigheid.

De negatieve veranderingen zijn de vervreemding; de prestatiegerichtheid op school en op het werk waardoor er stress ontstaat; de ontplooiing van het ik staat centraal waardoor er meer egoïsme en agressie is; de waarden zoals respect, beleefdheid ,verdraagzaamheid staan op de helling; stilstaan is achteruitgaan (terwijl we die stilte juist nodig hebben); gezinssituaties zijn grondig veranderd; kinderen spelen meer virtueel dan met elkaar.

De prioriteiten waaraan wij als katholieke school willen werken zijn:

  • de uitbouw van een school met zingeving: kinderen ruimte bieden om stil te staan bij zichzelf en de wereld rondom zich om van daaruit de diepere dimensie van het leven te ontdekken en zo kansen bieden tot gelovig mens worden.
  • stilstaan bij de echte waarden in het leven: respect, eerlijkheid, vriendschap, dankbaarheid, zorgzaam zijn…
  • aandacht hebben voor de volledige ontwikkeling van het kind: niet alleen goed studeren is belangrijk, wat je doet met je hart en handen is even belangrijk.
  • elk kind kansen geven om te groeien op eigen tempo, elke leerkracht werkt gedifferentieerd om aan de noden van sterke en zwakke leerlingen te voldoen.
  • kinderen weerbaar maken door het bieden van orde en structuur.
  • een draagvlak bieden waardoor alle kinderen de basiscompetenties bereiken.

Het Regenboogteam wil werken aan een kleurige toekomst voor uw kind.

Opdracht 1: Werken aan een schooleigen christelijke identiteit

* De school als identiteitsgevoelige gemeenschap
* De school spreekt haar personeel aan op zijn professionaliteit als werknemer in een "katholieke" school.

  • Het team staat volledig achter de waarden die de school vooropstelt en kan aangeven hoe het die nastreeft en beleeft.
  • Personeelsleden zijn bereid om zich individueel en/of gezamenlijk te ontwikkelen, om permanent te leren en hun eigen binnenkant te exploreren. Ze zijn bereid tot een respectvol onderling gesprek over levensbeschouwelijke thema's en over de eigen geschiedenis in dat opzicht.

* De school heeft een ziel omdat ze wordt gedragen door mensen die hun binnenkant kennen en hun spiritualiteit in het opvoedingsproces durven inzetten.
* In het schoolklimaat werkt de grondslag van de school door.

  • Uit de manier van omgaan met elkaar (begroeten, onthaal …) blijkt wederzijds respect, vertrouwen, zorg en waardering voor ieders werk (onderhoudspersoneel, administratief personeel, leerlingen, leerkrachten, directie, ouders, CLB-medewerkers, begeleiders …).
  • De leerkracht is in alle activiteiten gericht op de ontwikkeling van fundamentele waarden, van waaruit geoordeeld en gehandeld kan worden. Ze tracht die waarden ook authentiek voor te leven.
  • Teamleden kunnen tegenover elkaar hun fouten toegeven, vergeving schenken en ontvangen.
  • Leerkrachten en directie bemoedigen elkaar, komen voor elkaar op en springen voor elkaar in als het nodig is (solidariteit).
  • Beslissingen worden genomen in een geest van overleg.
  • Het schoolreglement sluit aan bij de krachtlijnen van het schooleigen opvoedingsproject.

Pedagogisch

* De school heeft een grote zorg voor de leerlingen. Ieder respecteert elkaars waardigheid en eigenheid.

  • Leerkrachten hebben oog voor "alle" kinderen met respect voor hun eigenheid (economisch, intellectueel, lichamelijk, sociaal, cultureel, religieus, ethisch …).
  • In haar relatie met de leerlingen laat de leerkracht ervaren dat zij hoopvol is ten aanzien van de ontplooiingskansen van elk kind(optimisme, vertrouwen in de toekomst).
  • Bij de benadering van fouten en zwakke prestaties zorgt voor de leerkracht ervoor dat bij de kinderen het gevoel van eigenwaarde niet wordt geknakt.

* In haar onderwijsvisie doet de school een uitdrukkelijk beroep op haar bijbels geïnspireerd mens- en wereldbeeld.

Dat komt zo tot uiting in de zorg voor:

  • De unieke en de totale menselijke persoon (in zijn hoofd, hart en handen)
  • de samenhorige gemeenschap
  • de natuur als schepping Gods
  • de ervaring van toekomst als gave en opgave
  • de zoektocht naar uitzicht in lijden en dood.

Leerkrachten wijzen in deze ervaringen ook naar de diepere werkelijkheid achter de waarneembare feiten. Ze maken kinderen ontvankelijk voor het Mysterie dat ze duiden als de God van Jezus Christus.

Organisatorisch

* Bij de keuze van nieuwe methodes en handboeken wordt nadrukkelijk gekeken hoe daarin met waarden en normen wordt omgegaan. Dat betekent bijvoorbeeld dat het team niet alleen nagaat of een schoolboek bij de leerplannen aansluit, maar ook of het niet in tegenspraak is met de waarden die de school vooropstelt. (Hoe worden autochtonen voorgesteld? Hoe wordt over de consumptiemaatschappij geschreven? …).
* Identiteitsontwikkeling (dat is een gezamenlijke bezinning rond de christelijke identiteit) komt op school regelmatig spontaan en volgens plan ter sprake.

  • In functioneringsgesprekken wordt aandacht besteed aan waardegebonden en levensbeschouwelijke aspecten van het leraarschap.
  • Tijdens personeelsvergaderingen is er ruimte om de identiteit van de school ter sprake te brengen.

* De schooltijd is zo ingedeeld dat er aandacht wordt besteed aan de vorming van alle aspecten van de cultuur (ook de levensbeschouwelijke) en van de totale persoon van de leerlingen (ook de religieuze mens).

Inrichting van de ruimte en de tijd

* De school geeft religieuze symbolen een duidelijke plaats:

  • In alle klassen hangt een kruisbeeld.
  • In de klas is ruimte voor een hoekje met religieuze symbolen (kaars, bijbel, poster …) die tot bezinning uitnodigen.

* De school geeft de uitdrukking aan haar identiteit door ruimte te maken voor religieuze momenten in het schoolleven:

  • In de agenda van de dag, de week en het jaar zijn bezinningsmomenten, vieringen en momenten.
  • Er vinden op school duidelijke vieringen plaats, zoals tijdens de advent en de vasten, met Kerstmis en Pasen …

* De school sluit aan bij acties van christelijke of sociaal-maatschappelijke origine (bijv. Wereldmissiedag, Welzijnszorg, Broederlijk Delen, Vredeseilanden, Wereldwinkels …).

Contacten

* De school informeert ouders over pastorale projecten op school en andere levensbeschouwelijke activiteiten
bijv. via ouderbrief, schoolkrantje …).
* Op school vinden ouderavonden plaats rond een levensbeschouwelijk thema.

Relatie met de plaatselijke kerkgemeenschap

* De school assisteert ouders en parochie bij de voorbereiding op de eerste communie.
* De parochiepastoor is welkom op school.
* Bij de vieringen op school wordt een beroep gedaan op parochie of kerk.

Opdracht 2: werken aan een degelijk en samenhangend onderwijsinhoudelijk aanbod

Opvoedingsproject

De school streeft de totale persoonsvorming van kinderen na in verbondenheid met anderen (kinderen en volwassenen), en met zorg voor de wereld waarin we leven.
In het ondewijs is er een evenwichtig aanbod van alle componenten van de cultuur:
* de wereld van taal en communicatie,
* de wereld van het muzische,
* de wereld van de exacte cijfers en de objectieve feiten,
* de wereld van de techniek,
* de wereld van het samenleven met anderen,
* de wereld van het verleden en het heden,
* de wereld van het goede,
* de wereld van de uiteindelijke zingeving.
* In dit aanbod is er oog voor de 'samenhang die zin geeft'.
* Leerlijnen reiken een stapsgewijze planning van de inhouden aan zodat het aanbod het best aansluit bij de mogelijkheden en behoeften van kinderen.
* Kinderen krijgen van bij het begin een zicht op het kader waarbinnen ze bepaalde zaken leren. Zo krijgen kennisaspecten en deelvaardigheden een betekenis tegen de achtergrond van een ruimere context

Leerplannen en ontwikkelingsplan

* De school neemt de leerplannen en het ontwikkelingsplan van het katholiek onderwijs als uitgangspunt voor de onderwijsinhoudelijke planning.
* De leerkracht is op de hoogte van de doelen in het leerplan en kan aangeven bij welke doelen zijn activiteiten aansluiten.
* Het team werkt aan de levensbeschouwelijke ontwikkeling van de kinderen. Dat betekent onder meer:
* In de godsdienstlessen komt dit op een systematische wijze ter sprake. De leerplannen R.K.-godsdienst vormen hiervoor het uitgangspunt. * In de andere leergebieden komt de levensbeschouwelijke optiek ter sprake voor zover er raakpunten zijn met levensvragen of ethische opdrachten binnen het leergebied.

Klaspraktijk

* In de verroostering van de tijd wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van de totale persoon. De dynamische-affectieve, de psychomotorische en de cognitieve component krijgen voldoende aandacht.
* Het aanbod van de school wil kinderen helpen om zich het geleerde zo eigen te maken dat kinderen het spontaan in nieuwe situaties kunnen gebruiken.
* De leerkracht differentieert in de doelen die zij nastreeft, rekening houdend met de beginsituatie of de capaciteiten van de leerlingen.

Organisatie

* Het team overlegt over de verticale en de horizontale samenhang in de leerlijnen die het uitzet.

  • overleg over de aansluiting met en het voortbouwen op de basiscompetenties die in het kleuteronderwijs centraal staan (overleg tussen beide teams)
  • overleg over wat in een leerjaar en over verschillende leerjaren heen in de lessen nagestreefd wordt
  • overleg over de integratie van leerdoelen uit verschillende leergebieden in de lessen

* Het team werkt aan doelen die in alle leerdomeinen of activiteiten worden nagestreefd: waarden en attitudes, leren leren, sociale vaardigheden.
* In het les- en activiteitenrooster is ruimte voor alle aspecten van de verschillende leergebieden en leerplannen.

Onderwijskundig leiderschap

* De directeur kan openheid tegenover de medewerkers koppelen aan een duidelijke samenhang van de visie van de school. De directeur ziet erop toe dat alle initiatieven en activiteiten in de school binnen het pedagogisch project kaderen.
* De directeur is de voortrekker als het om onderwijsinnovatie gaat. Hij moedigt het team aan om de inzichten en de doelen van de leerplannen stapsgewijs te implementeren.

Schoolwerkplanning

* De leerplannen en het ontwikkelingsplan, en in het bijzonder de leer- of ontwikkelingslijnen worden bij de schoolwerkplanning als referentiebron gehanteerd.
* Het team maakt een haalbare planning om een inhoudelijke onderwijsvernieuwing te implementeren.

  • Het team gaat stapsgewijs te werk.
  • Wat is precies "het nieuwe"?
  • Waar staan we zelf als team? Wat is er in de school hieromtrent al gerealiseerd?
  • Waar willen we naar toe?
  • Hoe pakken we dat aan?
  • Leerkrachten bespreken weerstanden en houden er in de schoolwerkplanning rekening mee.
  • Het team legt een aantal prioriteiten vast waaraan het wil werken om de kwaliteit van het aanbod te verbeteren.
  • Het team beoordeelt leermaterialen op hun overeenstemming met de leerlijnen van de (vernieuwde) leerplannen en het gaat na of het aanbod bij de uitgangspunten van het opvoedingsproject aansluit (bijvoorbeeld projecten rond relationele vorming, filosoferen met kinderen … ).
  • Regelmatig controleert het team of de onderwijsinhoudelijke vernieuwing (bijv. zorgbreedte, implementatie van nieuwe leerplannen … ) evolueert zoals gepland en er worden knelpunten aangewezen en strategieën gezocht ter verbetering. Bijvoorbeeld: ontbrekende voorwaarden, te ambitieuze planning, onvoldoende extreme ondersteuning, te weinig engagement in het team …
  • Tegenover de inspectie verantwoordt de school haar onderwijsaanbod. Het team kan verwijzen naar de doelstellingen uit de leerplannen van het katholiek onderwijs en naar hun relatie met de eindtermen en ontwikkelingsdoelen. Bovendien verwijst ze naar het schooleigen christelijk opvoedingsproject als inspiratiebron voor de schoolwerkplanning.

Opdracht 3: werken aan een stimulerend opvoedingsklimaat en aan een doeltreffende didactische aanpak

Klimaat

  • Op school heeft iedereen respect voor elkaar (leerlingen met goede en zwakke kanten, leraren met hun hebbelijkheden en hun onhebbelijkheden, onderhoudspersoneel met hun zorgen...). bijvoorbeeld: aandacht voor de netheid van de gebouwen, werken aan een vriendelijke en gemoedelijke sfeer, luisterbereidheid en aandacht voor niet-verbale signalen...
  • De leerkracht laat blijken dat zij elk kind met zijn mogelijkheden en met zijn inspanningen waardeert.
  • In de klas voelen leerlingen zich goed (welbevinden bij of plezier beleven aan activiteiten

Kindgericht

  • De leerkracht kan zich in de ervaringswereld van de kinderen inleven. Dat biedt kansen om aan te sluiten bij hun behoeften en hun belangstelling.
  • De leerkracht stemt haar aanpak en hulp af op de maat van de individuele leerling (bijv. gevarieerde werkvormen en leermiddelen, hoekenwerk, contractwerk ...)
  • Bij de evaluatie wordt de leerling vooral met zichzelf vergeleken (zijn vorderingen) in plaats van met de anderen.

Krachtige leeromgeving

  • De leerkracht varieert opdrachten, activiteiten en werkvormen volgens de doelen die hij nastreeft.
  • De leerkracht biedt situaties aan die leerzaam zijn (die uitnodigen tot exploreren, stimuleren tot het leggen van relaties, kansen inhouden om te ontdekken)
  • De leeromgeving is levensecht, concreet en herkenbaar voor kinderen.

Sturing en zelfsturing

  • De leeromgeving is gestructureerd en zet de leerlingen aan tot zelfstandig werken.
  • De leerkracht helpt de leerlingen om te kiezen, te plannen en te reflecteren op hun aanpak en hun prestaties, om zo zelfsturing te ontwikkelen.
  • De leerkracht doet regelmatig een aanbod van activiteiten waaruit kinderen vrij kunnen (leren) kiezen.

Schoolwerkplanning en organisatie

  • De krachtlijnen van het eigen opvoedingsproject en de didactische suggesties van de leerplannen vormen een uitgangspunt voor de didactische aanpak (werkvormen, leermiddelen, wijze van evalueren).
  • De school heeft een gelijkvormig systeem om alle leerlingen qua vorderingen te volgen en tijdig te helpen (observaties, leerlingvolgsysteem, multidisciplinair overleg, signalering, remediëring ...).
  • Door taakdifferentiatie wordt de specifieke deskundigheid van leerkrachten gekoppeld aan onderwijs of remediëring.

Opdracht 4: werken aan de ontplooiing van elk kind, vanuit een brede zorg

Opvoedingsproject en -klimaat

  • Het team richt zijn inspanningen op alle kinderen in hun verscheidenheid, qua sociale herkomst, culturele en religieuze achtergrond, sekse, intellectuele capaciteiten, gezondheid ... .
  • In de begeleiding van kinderen staat het vertrouwen in de mogelijkheden en de gelukkige toekomst van elkeen centraal (er wordt niet uitgegaan van de determinerende invloed van aanleg en milieu).
  • Tijdens de lessen komen onderwerpen zoals discriminatie, pesten, onrecht ... aan bod onder meer naar aanleiding van incidenten op de speelplaats, in de klas of in de omgeving.

Leerlinggerichte zorg

  • In de school wisselt het team informatie uit over de vorderingen van de leerlingen (klassenleraar - taakleerkracht - leerkracht zorgbreedte - directie - externe begeleiders - CLB). het wendt die op een constructieve wijze aan om het onderwijs op het kind af te stemmen.
  • In de school is er overleg over en wordt gekozen voor een gemeenschappelijk systeem om leerlingen te volgen (kind- of leerlingvolgsysteem, leerlingenoverleg), met vaste afspraken en procedures die waarborgen dat de leerlingen tijdig hulp krijgen.
  • Leerlingen weten dat ze bij hun leerkracht terecht kunnen met hun grote en kleine zorgen.

Schoolwerkplanning en organisatie

  • Het team maakt een planning voor de realisatie van zorgbreedte, waarin de verschillende facetten van die zorg worden behandeld. Bijvoorbeeld: de uitgangspunten, de taakdifferentiatie van de leerkracht, de groeperingsvormen op schoolniveau, de keuze van de leermiddelen en zorgstrategieën, het signaliserings- en hulpverleningsproces, de samenwerking met interne en externe begeleiders ... .
  • De realisatie van de zorgbreedte wordt in team geëvalueerd en bijgestuurd (via specifieke schooldiagnose of naar aanleiding van de doorlichting door de onderwijsinspectie).
  • Op school wordt bij de verdeling van het lestijdenpakket van goed omschreven principes uitgegaan die consequent bij het eigen opvoedingsproject aansluiten. Bijvoorbeeld: de zorg voor 'alle' leerlingen primeert op het comfort van de leerkrachten.

Contacten met de omgeving en met de ouders

  • De school is gericht op intensieve samenwerking met de ouders (hen informeren over het ontwikkelingsverloop van hun kind, wederzijdse signalering van problemen, informeren over thuismilieu ...)
  • De school adviseert ouders over de instap in het kleuteronderwijs, over de overgang naar een ander onderwijsniveau, over de keuze voor buitengewoon onderwijs ... .
  • Als er zich een probleem voordoet, zijn de directeur en de leerkrachten beschikbaar voor de ouders, tijdens de schooluren of na afspraak.
  • De leerkracht weet probleemkinderen te signaleren en deskundige hulp van interne en externe medewerkers (taakleraar, CLB ... ) in te roepen.

Materiële middelen en infrastructuur

  • Het schoolbestuur investeert in materiaal en accomodatie voor begeleiding van kinderen die bijzondere zorg behoeven (leerpakketten, werkhoeken, remediëringsklas ...).
  • Het schoolbestuur zoekt naar oplossingen om financiële en materiële drempels voor kinderen van arme gezinnen (bijvoorbeeld een sociaal fonds) weg te werken.
  • De school organiseert voor- en naschoolse opvang op zo'n wijze dat alle kinderen die deze opvang nodig hebben, eraan kunnen deelnemen en op een aangepaste wijze begeleid worden.

Opdracht 5: werken aan een school als gemeenschap en organisatie

Opvoedingsproject en prioriteiten

  • De school geeft als 'katholieke" organisatie uitdrukking aan haar christelijke grondslag in het schooleigen opvoedingsproject en probeert dat te beleven in een sfeer van openheid (inspraak) en wederzijds respect (samenspraak).
  • Binnen het team worden prioriteiten voor de werking bepaald die aansluiten bij het opvoedingsproject van de school.
  • Op vergaderingen worden de prioriteitenn toegelicht en onderzocht, om te verantwoorden waarom voor een bepaald initiatief of voor een extern aanbod gekozen wordt.

Samenhang en communicatie

  • De communicatie tussen de directeur en het team verloopt vlot (mededelingen, vragen, initiatieven, afspraken...)
  • Er is een goede samenwerking in het team: + Voor de teamvergaderingen wordt een agenda opgemaakt. Tijdens de vergaderingen is het hele team aanwezig. Iedereen wordt goed geïnformeerd en er is ruimte voor een open overleg. Van de vergaderingen wordt een verslag opgemaakt, dat ook wordt gevolgd. + In de school vindt regelmatig overleg plaats tussen deeltijds en werkende leerkrachten die samen voor een leerlingengroep verantwoordelijk zijn, tussen de directie, het schoolbestuur en de leerkrachten, tussen de klassenleraren en de taakleerkracht, tussen de leerkrachten van eenzelfde graad en van parallelklassen, tussen de klassenleraren en de leermeesters/ambulante leerkracht, tussen de leerkrachten die aan een zelfde project werken.
  • Er is een evenwicht tussen autonoom werken en samenwerken van de teamleden.

Interne leiding

  • De directie maakt communicatie en overleg binnen het team mogelijk.
  • De directeur is de bezieler achter initiatieven die in de school van start gaan. Hij neemt tijdig en in overleg doordachte beslissingen en moedigt het team aan om ze samen in de school te realiseren.
  • De directeur en het schoolbestuur zorgen ervoor dat, door praktische voorzieningen en een goede besteding van de werkingsmiddelen, de voorwaarden voor een goede samenwerking en een efficiënte werking op school vervuld zijn (infrastructuur, personeelsadministratie, verdeling van schooltijd en opdrachten, aankoop van leermiddelen..).

Personeelsbeleid

  • De leerkrachten voelen zich goed.
  • De leerkrachten ervaren dat ze mee richting kunnen geven aan wat er in verband met het werk in en om de school afgesproken wordt.
  • De directeur drukt zijn waardering uit voor het werk van het team en van individuele leerkrachten.

Planmatig werken

  • Prioriteiten voor de schoolwerking ontstaan uit een diagnose van de bestaande situatie (sterke en zwakke punten).
  • Er is overleg en actieve participatie van directie en leerkrachten bij schoolwerkplanning.
  • De taakverdeling binnen de school is duidelijk geregeld.

Professionalisering

  • Teamleden krijgen de kans om nieuwe zaken uit te proberen. De school voorziet daarvoor ruimte en mogelijkheden (materiaal, klasvrije overlegmomenten, contact met pedagogische begeleiding ...).
  • De verworven nieuwe inzichten worden aan het hele team ter beschikking gesteld (vakliteratuur en documentatie worden ter beschikking gesteld, verslag nieuwe inzichten en presentatie van nieuwe realisaties tijdens personeelsvergaderingen, bij elkaar in de klas observeren ...).
  • Op school zijn er pedagogische naslagwerken en tijdschriften beschikbaar. Mededelingen van de begeleiding en de nascholing worden bekendgemaakt.

Externe ondersteuning

  • De school onderhoudt goede contacten met pedagogische begeleidingsdiensten, het CLB, de nascholing, comité voor bijzondere jeugdzorg, buurtorganisaties, de parochie ...
  • Directie en schoolbestuur maken op een verantwoorde wijze gebruik van de diensten die het Vlaams Verbond van het Katholiek Onderwijs aan scholen verleent.
  • Op personeelsvergaderingen, studiedagen of naar aanleiding van projecten worden deskundigen of waardevolle getuigen op school uitgenodigd.

Contacten met ouders en omgeving

  • De school verzorgt haar contact met de ouders zowel formeel (via rapport, infobrochures, huisbezoeken), als informeel (door de beschikbaarheid in en buiten de school).
  • Ouders worden bewust bij de activiteiten van de school betrokken. Binnen de school zijn ouders niet alleen actief op het vlak van hand- en spandiensten, het onderhoud, maar ook op het gebied van onderwijsondersteuning.
  • De school reageert snel op veranderingen in de schoolomgeving (vandalisme in de buurt, verpaupering, vergrijzing, verjonging ...).